maandag 2 maart 2020

de Grenspost revisited - sleutellocatie


De grenspost revisited

Ze klom de tank op, liet zich zakken door het gat en werd bijna verstikt door de geur die alles doordringt en waar je nooit aan went, de misselijkmakende tegen-zoete, maar helemaal niet zoete, stank van warme verrotting. ‘Niet kijken, niet kijken’ zei ze zachtjes tegen zichzelf , maar natuurlijk keek ze, ze kon niet anders, hoe kon ze anders bij het stuur komen.

 Doorheen het kleine compartiment lagen dode lichamen, vers, daarom was de stank zo overweldigend. Ze onderscheidde haar troepmaten, ze droegen camouflagekleding, maar dat had niet mogen baten. De grootste vijand is  vastberaden , hij heeft zijn missie uit te voeren. En als hij je eenmaal in zijn vizier heeft gekregen, ben je voor altijd zichtbaar, ook al vermom je je, ren je weg, of neem je weer de wapens op, overal weet hij je te vinden en te pakken op je zwakste plek: je hart, daar waar je grootste geheimzinnige schat ligt, en hij gaat dat hart uit je rukken, en hoe je je ook verzet, hoe sterk je ook dacht te zijn, hij wint. Hij wint altijd.

‘Maar deze keer niet, vriendje, al moet ik er dwars door heen, ik geef godverdomme niet op.’ En ze bukte zich om het zilveren naamplaatje van Leon, de commandant, zijn darmen en gele draden waarvan ze niet wist wat het was, lagen over Sienna’s hals en borstkas, van zijn nek te pakken. Met al haar wilskracht verbood ze zichzelf emoties te voelen. Want hoe gehard ze ook was na al die jaren oorlog, Leon was haar dierbaar geweest. Al had ze dat nooit laten merken, professioneel waren ze. Werk, en oh hel wat een baan was dit, en prive gescheiden houden, een vechtmachine zijn, nietsontziend de strijd in samen, maar geen genegenheid tonen, want dat maakt je zwak. Rouwen kwam thuis, met veel drank en sigaretten. Zo deed ze dat, zo overleefde iedereen. Sienna’s hoofd was open, ze kon de hersenen zien, ze onderdrukte een golf van kots die ze al kon proeven in haar slokdarm. ‘Klootzak’ schold ze, ‘hoe kon je haar zo toetakelen.’ Ze maakte haar ogen tot kleine spleetjes, zodat ze bijna niets meer zag, alleen het blinken van het naamplaatje, dat ze, als enige overlevende, aan Sienna’s echtgenoot zou geven. Als ze thuis was. Maar zover was ze nog niet.
De kleine stoel was nog intact. Natuurlijk startte de motor, ze zag niets, ze kon de tank niet besturen en navigeren tegelijk, daarvoor had ze een partner nodig, en die was er niet. Maar ze had, voor ze instapte, goed gekeken hoeveel meter de tank verwijderd was van de grenspost, die, sinds ze de laatste keer daar geweest was veel  meer en groter was geworden. Waar het maanden geleden een rood witte houten slagboom was, met een houten huisje, was hij  nu uitgegroeid tot een metershoge muur met prikkeldraad, en niet zo maar een muur. Zeker anderhalve meter breed, van de zwaarste stenen, met ijzeren …  The strange land lag daar achter, ze was er ontelbare keren geweest, had magische avonturen beleefd, bijzondere wezens ontmoet, en, ja ook daar, obstakels overwonnen, maar altijd in het licht, met het licht, gedragen door het licht. En hier, aan deze kant, was alleen maar pijn.  En scheen de zon nooit. Ze wist dat de vijand ook daar was, maar hij was daar kwetsbaar en ze hoopte gewoon dat ze nog een kans kreeg  (Van wie? Van wat? Van het leven? Van de natuur? In God geloofde ze al lang niet meer).
Het vertrouwde geluid van de ronkende motor, het rollen van de rupsbanden gaf haar moed. Op de Leopard 2A7 kon je bouwen. Ze telde mee met de omwentelingen van de banden, ze kon dit voertuig dromen, alle geluiden, het geschommel, de groeven in het stuur, hoe haar voeten precies pasten in de pedalen.


Het meer van Mehr - locatie twee


Het was stil. Het was zo heerlijk om hier te zijn. Te drijven en tegelijkertijd in het water te zijn. Dat kon op geen enkel aards meer. Deze sensatie was anders, en toch bekend. Het was op twee manieren, op twee plaatsen tegelijk zijn. Alles kunnen voelen van het koele water, en nu een gesuis (zacht natuurlijk). Ze hoorde niet haar ademhaling. Want haar lichaam was ergens anders. Haar fysieke lichaam lag in het water, een ander lichaam, dreef op het meer en in het meer. Er werd niets gezegd. Er werd niets ingefluisterd. Ze kon haar ogen niet gebruiken, die werden gevoed door het water. Die hadden even niets te doen. Ook dat was heerlijk. Er was geen golving, geen deining. Ze was er helemaal niet, en toch kon dit worden geschreven, toch was er een ervaring. Ze keek naar zichzelf vanaf de kant. Hoe makkelijk was het op meerdere plaatsen tegelijk te zijn. Haar armen rustten langs haar hoofd, niet gestrekt, dat zou teveel met inspanning te maken hebben, losjes helemaal ontspannen

Waren haar ogen open of gesloten? De huid rond haar ogen voelde vochtig, haar oogleden leken verdwenen. Opglimpende lichtpuntjes dansten. Voor haar? In haar? Pijn was er niet. Een zachte koele luchtlaag omsloot haar armen en benen. Als laaghangende wolken tussen bergen.

scene voor de Grenspost - bergpad - locatie 1



Scene voor De Grenspost

De weg was lang geweest. Maar niemand had haar beloofd dat het makkelijk zou zijn. Voor ze vertrok om hem achterna te gaan, had ze goede raad en waarschuwingen gekregen. ‘Het land is niet als het onze, andere wetten gelden. Je zult voor grote verrassingen te komen staan en de kennis die je hier hebt opgedaan zal je niet helpen om de uitdagingen te kunnen doorstaan.’ ‘De Grenspost is voor weinigen te bereiken, en als je er toch komt, begint het eigenlijk pas. Dan ben je helemaal op jezelf aangewezen en zul je nog sterker moeten zijn.’
Hoog in de bergen was ze nu. De kou drong diep door tot in haar botten. Haar leren lange jas bood enigszins bescherming tegen de wind. Ze trok de hoed,  die van haar vader geweest was, dieper over haar ogen. Het steile rotspad slingerde zich om de berg heen. Spoedig zou ze de top bereiken, ze was opgelucht dat het was opgehouden met regenen, want de stenen waren glad en verraderlijk. Het ravijn naast haar was zo diep dat ze de laatste uren niet meer naar beneden had gekeken. Ze wist welke resten daar lagen. Mensen hadden eerder geprobeerd de top te bereiken, de wens om de overvlucht naar de Vergeten Gebieden te maken was sterk bij velen. Maar niemand was ooit levend teruggekeerd. Er werd verteld dat aan de voet van de berg, langs donkere rivier een bottenstapel was gemaakt. Een plek was waar de beenderen van eerdere vrijheidszoekers waren opgestapeld. Het was een gevaarlijke plek, een plek waar niet veel mensen durfden te komen. Het zou ongeluk brengen de dode resten te zien. Zelfs van ver bovenaf.
Ze haatte de berg, ze haatte het smalle pad, ze haatte de keuzes die ze had gemaakt. Ze haatte de mensen met hun wijze raad. Allemaal lafaards die grote woorden gebruikten, het beter wisten, haar probeerden wijs te maken dat ze te zwak was, met haar kapotgesneden polsen, de blauwe plekken op haar borst, de hoofdwond die langzaam genas maar haar vaak pijnscheuten bezorgde die haar gezond verstand doorboorden.
Het werd nog steiler nu, de richel was maar een voetbreedte breed. Ze klemde haar kaken op elkaar al ging dat tegen haar trainingservaring in, ‘ontspan heel je lijf, behalve je handen en je voeten. Geef alle aandacht aan je vingertoppen en spreid je tenen. En houd van de berg.’ Maar ze haatte de berg en vertrouwde hem niet meer. Te veel streken had hij haar al geleverd. Hij lachte haar uit. Ze gleed uit, de bergwand was spiegelglad, uitgesleten door de wind die hier altijd waaide, haar voet zwikte langs de afgrond en haar gevoelloze handen gleden weg, ze hoorde alleen de fluitende wind, haar hoed waaide haar rug op, het leren touwtje sneed in haar keel en ….(beschrijf de val)

………………………

………………………

………………………
Grijze mist. Kou. Steken in haar hoofd. Ze voelde haar adem jachtig door haar borstkas gaan. Haar hartslag klopte razendsnel in haar polsen.

Verder. Verder.
Verder, ga verder.
‘Verder’, vastberaden haar eigen stem. Want pijn kun je wegdenken, had ze van haar vader geleerd.

Ze wankelde niet eens toen ze opstond. Het zachte gras had haar opgevangen. Vreemd hoe op deze berg vruchtbare grond was. Ze keek omhoog om te zien hoe diep ze gevallen was. De zwarte uitstekende rots waar ze uitgegleden was leek een klein stipje. ‘Dat is anderhalve dag voor niets geklommen’, zuchtte ze. Haar rugzak had haar val gebroken, en ze prees zichzelf voor het geluk wat ze over zich had afgeroepen. De tijd dat ze een hogere macht bedankte was ver weg.

zondag 11 september 2016

If I start thinking, I cannot write.
If I write, I cannot think.
If I think, I don’t write.
When I write, I don’t think.

vrijdag 9 september 2016

De kleuren van een nachtmerrie hebben de volgende namen



vermiljoen oogverblindend knallendrood
versplinterendspetterend oranje
onzichtbaarafzichtelijk  geel als je zachtjes de kleuren bijstelt staat er: onzichtbaarafgrijselijk GEEL
inktvisflessengroen
diepzeenachtdiepdonkerblauw
indianenindigogogo
ultraviolent violet


als vuurwerk

woensdag 7 september 2016





Mijn grootste nachtmerrie is dat ik niet meer wakker word. Dat ik voor altijd blijf zoeken naar wat ik heb achtergelaten in de Sagrada Familia.
De heilige familie. Maak ik daar deel van uit?

Ik ben de enige die de metro uitstapt. Er liggen plassen water op het perron. Enkeldiep. Ik was mijn voeten erin en de hitte onder mijn voetzolen verdwijnt niet. Het is hier zo stil, ik hoor mijn oren suizen. Mijn bloed stroomt in een gevaarlijk tempo. 'Langzaam', zeg ik tegen mijn hart.


vrijdag 14 februari 2014

De Kleuren van een Nachtmerrie
Een fantasy trilogie

De wereld staat in brand. Na een grote ramp proberen mensen een nieuw leven op te bouwen.
De Orde van de Fremithi is aan de macht. Zij streven naar een maatschappij van zuiverheid en liefde, een hele andere manier van leven dan voor de ramp. Maar de mensen binnen de Orde zijn helemaal niet zo vredig en goed als ze zich voordoen.
Morgana, als meisje van tien gevonden door Roos, de leider van de Fremithi, is opgegroeid in de gouden gevangenis (want zo voelt het, ze is niet vrij, al ziet het er, van binnen en van buiten, allemaal prachtig uit). Ze wordt verliefd, maar mag volgens de regels van de Orde niet met haar geliefde zijn. Daarom ontsnapt ze uit de Orde en vlucht naar de Vergeten Gebieden (daar waar de gevolgen van de ramp zo groot en gevaarlijk zijn dat niemand er naar toe durft). Het is een vrijplaats van onheil, duisternis en dood, maar ook van grote schoonheid en bijzondere natuurwetten.
Morgana krijgt van de Waarschouwer, een wijze man uit de Orde die wel te vertrouwen is, de opdracht om naar de stad Patina te gaan. Deze wonderlijke stad schijnt nog te bestaan in het hart van de Vergeten Gebieden. Hij vertelt haar dat zij een van de uitverkorenen is die de Toetssteen (de bron van eeuwigdurende waarheid) moet vinden en zo de wereld hoop op een betere toekomst kan geven.
Maar bestaat de Toetssteen wel echt? En zal Morgana op tijd zijn om de man van wie ze houdt te kunnen redden?

de Grenspost revisited - sleutellocatie

De grenspost revisited Ze klom de tank op, liet zich zakken door het gat en werd bijna verstikt door de geur die alles doordringt en w...